Projecten

RESTAURATIE VAN HET LUYPAERT
Project
Fortuinstraat 10 te Bergen op Zoom
Opdrachtgever
de heer en mevrouw Scheurkogel
Jaartal realisatie
2003
Omschrijving

Een bijzonder (onbeschermd!) 15de-eeuws huis is zorgvuldig gerestaureerd. Beneden is de winkel gemoderniseerd, waarbij de balkenzoldering geheel als zichtwerk hersteld is. De fraaie gewelfde kelder is vanuit de winkel toegankelijk gemaakt. Erboven is een zelfstandige woning gerealiseerd, waarin op de 1ste verdieping de balkenzoldering hersteld is en een authentieke gotische schouw weer hersteld en functioneel gemaakt is. De grotendeels nog uit de bouwtijd daterende achtergevel is ontpleisterd en als zichtwerk hersteld. Bijzonder zijn hier de natuurstenen parementen en speklagen. De midden 20ste-eeuwse voorgevel is hersteld en van een nieuwe harmoniërende pui voorzien.

Bouwhistorie

De oudst bekende transportakte van dit huis dateert van 11 juni 1406.  Het huis droeg toen de naam ‘de Lupaert’, een vroege naamsvermelding. Later werd het meestal als ‘de Luypaert’ vermeld. De straat heette in die tijd ‘de Oude Potterstraat’ (de Molstraat heette toen ‘de Corte Potterstraat’ en de huidige Potterstraat ‘de Nieuwe Potterstraat’). Aan de noordzijde, ter plaatse van het huidige huis ‘de Sterre’, lag na de stadsbrand een wellicht onbebouwd erf. Aan de zuidzijde was er een huis met erf, de voorganger van het huis ‘de Biecorf’. Aan de achterzijde grensde het huis aan het perceel van Jan van de Heyligenlande, het huis ‘St. Joris’ aan de Grote Markt. De verkoper was Arent, “tollmeester” van Antwerpen; koper was Franken Boba, een “Lombaerd”. Hij trad in 1403 op als zaakwaarnemer van Opereyn Royens bij de verkoop van het huis ‘Leeuwenborg’ op de Grote Markt (thans het oostelijk gedeelte van het Stadhuis). In dat pand oefenden de Lombaerden hun geldhandel uit. Royens was wellicht een verbastering van de familienaam Rotharijs,  de familie die in 1392 van de heer een vergunning kreeg voor de uitoefening van dat beroep.
Zoals veel huizen in de hoofdstraten vervulde ook ‘de Luypaert’ een belangrijke rol tijdens de jaarmarkten. Zo verhuurde Cornelis Reyns tijdens de markten de kelder en een kamer met twee bedden aan Matheus de Page uit Doornik voor een termijn van vier jaar.  Die mocht deze ruimten gebruiken voor zichzelf en zijn koopwaren tegen betaling van 20 schellingen per markt, ook als hij niet zou komen. Aan de handel op jaarmarkten namen ook kooplieden uit Bergen op Zoom deel. Zij moesten daartoe vaak risicovolle reizen maken. Uit voorzorg vermaakte Reyne Willem Pauwels in 1446, vóór hij de reis naar Rouaan aanvaardde, een jaarlijkse erfrente van vier ponden groot Brabants op zijn huis ‘de Luypaert’ aan zijn moeder.
In 1460 verkochten de erfgenamen van Reynier Willems het huis aan Janne de Koster. Er hoorde ook een huis aan de Molstraat bij, wellicht ook toen al het later bijbehorende huis ‘Achter de Moyses’. Drie maanden later werd het huis verkocht aan Cornelis Peterssone van den Aekeren. Zijn kinderen verkochten het al in 1463 aan Cornelis Reyns. Er hoorde toen een nieuwe stal aan de Zuidmolenstraat bij. Diens kinderen verkochten het in 1468 aan Joes van Goirle, de eigenaar van het aan de noordzijde aangrenzende huis ‘de Sterre’. Deze familie heeft wellicht de hieronder beschreven uitgebreide verbouwingen uitgevoerd. Het bleef tot 1553 in hun bezit. In dat jaar werd het huis door joffer Marie Spernagels, weduwe van Joes  van Goirle, verkocht aan Jacoppe van Suerendonck.  Door de samenvoeging van ‘St. Joris’ en ‘de Draecke’ grensde het toen aan de oost- of achterzijde aan ‘de Draecke’.
De weduwe van Suerendonck verkocht het huis in 1569 aan Janne Bernaertss. Bij een verkoop in 1571 aan Christoffel Janss. (zijn zoon?) werd als conditie opgenomen, dat Dankaert Janss. (een andere zoon?) ”int insetten van de voorseyde huyse besproken ende expresselyck bevoirwaert heeft, dat hy voer hem ende synen nacomelinghen sal moghen leyden den waterloop van synen huyse gen. den Swerten Helm [nr. 6], oick van de huyse genaemt den Swerten Pot [nr. 4] ende insgelyx oick van de huyse genaemt den Gulden Biecorff doer de gote tusschen den voorseyde huyse genaemt den Lupaert ende den Gulden Biecorff, welck waterloopen de voorscreven. Dankaert doer syn voorseyde huys den Swerten Helm tot noch toe heeft moeten leyden behoudelick dat het selve loffelyck van loopende water geschiede en dat [hij] voer de voorseyde gote een tralie sal moeten maeken”. Er werd toen dus een erfdienstbaarheid gevestigd, waarbij het regenwater van de nrs. 8, 6 en 4 door de nu nog bestaande ‘ozieloop’ (op maaiveld gelegen goot tussen twee huizen) afgevoerd moest worden. In plaats van de tralie is er nu een gepleisterde strook tussen beide huizen. Opmerkelijk is wel, dat het achterste gedeelte van de ‘ozie’ toen ook overbouwd werd door ‘de Luypaert’.
De lakenkoopman Gieles Lems heeft in 1616 en 1617 zijn huis ‘de Luypaert’ voorzien van een nieuwe stenen voorgevel, versierd met speklagen.  Ook zijn naastliggende huis ‘de Biecorf’ voorzag hij van ”een gelycken stenen gevel”. Hij deed dat toen ook nog eens bij ‘de Granaatappel’ op de Grote Markt (nr. 33). Hij kreeg daarvoor een ”recompense” van fl. 45,-. Hij was blijkbaar een burger die flink aan de weg timmerde! Zijn weduwe Cornelia van Strijen huwde in 1626 de lakenkoopman Gerard Moermans, waarmee dit huis tezamen met ‘de Biecorf’ zijn eigendom werd. Hij verkocht het huis in 1642 aan de “beenhacker” Jan Michiels . Op het achtererf was er toen een sterfput, waar ook het water van ‘de Biecorf’ door een rioolbuis in liep. Dat zou zo moeten blijven, zij het dat bij vervuiling van het riool dat voor rekening van ‘de Biecorf’ geruimd moest worden en het erf van ‘de Luypaert’ daarvoor toegankelijk moest zijn. Als de put vol was moest die op gezamenlijke kosten leeggemaakt worden. Een waterput zou voor gemeenschappelijk gebruik blijven en voor gezamenlijke kosten onderhouden worden. Een goot van ‘de Biecorf’ mocht afwateren op het erf van ‘de Luypaert’. Het gebruik van dat regenwater zou voor dat laatste huis zijn. Verder mocht het licht van een raam op het erf van ‘de Luypaert’ niet benomen worden. Wel mocht er een afhang onder gemaakt worden, maar geen stal. De koper zou ook een afgebroken ”balije” krijgen, alsmede ”het yser vant uythangbert dat opten solder soude mogen liggen”. Na het overlijden van de weduwe van Jan Michiels in 1662 ging de eigendom over naar de ”beenhacker” Johannes van Ferny.  De bovenomschreven erfdienstbaarheden waren weer van toepassing. Daarnaast mocht de verkoopster ”uitbreecken het fornuys staende op de plaetsse, de peersse in de kelder ende caterollen aende balcken daermen de geslachte beesten mede heeft opgehaelt”. Het huis ‘Achter de Moyses’ werd gelijktijdig verkocht. Ferny woonde er kennelijk niet zelf. Hij had het huis verhuurd. In 1687 woonde er Philip Schouwmans, van beroep ”gesworen zegelaer” [keurmeester of iemand die ambthalve documenten van zegels voorziet]. Het werd in dat jaar voor drie jaren verhuurd aan Harmanus Hellemans, “meester boeckbinder”. De huur bedroeg  70 gulden per jaar, te betalen per kwartaal. De weduwe Ferny verkocht het in 1710 aan Cornelis van Heusden, een man die blijkbaar geen gelukkig huwelijk had, zoals het vervolg valt te concluderen In 1717 kon hij namelijk de helft van zijn huis terug kopen van de zuster van zijn vrouw, die dat deel geërfd had bij haar overlijden. Van Heusden is wellicht bij de belegering in 1747 omgekomen, dan wel gestorven in een toevluchtsoord. De datum van zijn overlijden is niet in onze stad bekend. Zijn erfgenamen verkochten het huis in 1749 aan Zacharias van Dalen. Bij de belegering liep het huis de aanzienlijke schade van fl.1.400,- op. Dat was globaal evenveel als bij de zwaarst beschadigde huizen in de Lievevrouwestraat en ongeveer de helft van de schade bij de vrijwel geheel verwoeste huizen op de Hoogstraat. Waar die schade uit bestond, inboedel of gebouw, is thans niet meer vast te stellen. De eventuele schadevergoeding zou bij de verkoop in 1749 ten goede komen aan de verkopers.
In 1797 ging de eigendom over naar de 32-jarige Willem van Dalen, een zilversmid. Ook zijn moeder, vermeld als zilverkashoudster, woonde toen nog in dit huis. In 1812 woonde Willem hier nog met zijn eveneens gereformeerde zuster Marie en de lutherse Marie Hyman, wellicht zijn vrouw.
Vóór 1830 is het pand in eigendom gekomen van Cornelis Soffers, een broodbakker afkomstig uit Hoogerheide. Aardig is dat dit wellicht een ver familielid  is van de aannemer Jack Soffers die in 2001 de restauratie uitvoerde. Het huis bleef vele jaren in die bakkersfamilie. Zij verbouwden de winkelpui in 1900 en het huis in 1919. In 1943 werd het verkocht aan Frans Leenaars, slager van beroep. Het huis was toen al enige jaren verhuurd aan het kruideniersbedrijf De Unie. Dat bedrijf vroeg in 1938 een bouwvergunning aan die in 1940 geëffectueerd is. In de vijftiger jaren werd de winkel gedreven door de familie Heijboer. Later kwam er een winkel van Nijpels Kasten, gevolgd door Persia, een Kringloopwinkel en na de restauratie de bloemenzaak Assortie en nu hi-fi speciaalzaak De Tweede Kamer.
Het huis moet kort na de stadsbrand van 1397 herbouwd zijn. Het muurwerk van de noordelijke en zuidelijke bouwmuren zal nog deels van vóór die tijd dateren. Die muren zijn op de eerste verdieping uitgevoerd in een rode baksteen met afmetingen van 24x12x6 cm. Aan de zuidzijde lag er een ozieloop tussen dit huis en het huis ‘de Biecorf’, nr. 8. Opmerkelijk is dat die ozieloop heel goed herkenbaar is gebleven. Beide begrenzende bouwmuren zijn grotendeels aanwezig, zij het dat aan de zijde van nr. 8 grote delen geoccupeerd. Aan de oostzijde stopt de ozie waar in de vijftiende eeuw de schouwen van nr. 10 aangelegd zijn. Van daar tot aan de achtergevel blijft de ozieruimte bij nr. 10, evenals op het achtererf. De ozie is nog over de volle hoogte aanwezig.

Uit omstreeks 1400 dateren nog twee balkvakken in de verdiepingsbalklaag en één moerbalk in de zolderbalklaag, met de aansluitende kinderbalken. In de verdiepingsbalklaag zijn de kinderbalken van de voorste twee traveeën met telmerken gemerkt en met houten toogpennen aan de moerbalk bevestigd. Ook in de zolderbalklaag is deze constructie bewaard op de voorste moerbalk. In 2006 is gepoogd met dendrochronologisch onderzoek de ouderdom van de oudste houten bouwdelen te bepalen. Dit mislukte, omdat onvoldoende referenties te vinden waren. Wellicht betreft het ook hier regionaal eiken, dat kort na de brand gekapt is. De betrekkelijk matig rechthoekige doorsnede van de balken lijkt er ook op te wijzen, dat een zekere haast bij de bouw geboden was.

Oorspronkelijk was op beide verdiepingen een houtskelet aanwezig. Onder de moerbalken waren geprofileerde sleutelstukken aanwezig. De derde en vierde travee, waar nu jongere moerbalken aanwezig zijn, is wellicht in oorsprong één diepe derde travee geweest, ongeveer overeenkomstig de situatie in Fortuinstraat 14. Eind vijftiende eeuw is het huis flink verbouwd. Tegen de zuidmuur werden de nu nog bestaande rookkanalen met op de eerste verdieping de nog aanwezige natuurstenen schouwwangen gemaakt. Ook op de begane grond is een authentiek rookkanaal aangetroffen met aan de bovenzijde nog de gewelfaanzet voor de stookvloer van de erboven staande schouw. De wangen en latei zijn helaas in later tijd gewijzigd. Ook de nog deels bestaande achtergevel met natuurstenen speklagen, waterslaglijsten en zoldervenster is toen gemaakt. Goed zichtbaar zijn de afgehakte waterslaglijst en de aanzetten van de vlechtingen van de achtergeveltop. Opmerkelijk is wel dat ter hoogte van de onderdorpels van de verdiepingsvensters de afgedekte waterlijst met twee speklagen aanwezig is en ter hoogte van het vroegere kalf weer de gebruikelijke speklaag. Wonderlijk is wel dat zo’n speklaag ontbreekt ter hoogte van de bovendorpels, een merkwaardig sobere uitvoering, zeker in relatie tot het natuurstenen zoldervenster.  
De kelder zal wellicht in deze bouwfase opnieuw of voor de eerste maal overwelfd zijn. Er is daar een restant van een oven aanwezig, waarvan het rookkanaal uitmondt in de haardopening op de begane grond. Aan de noordkant is een flinke steekkap in het tongewelf aanwezig, die duidt op een vroegere doorgang naar het buurpand. De verbouwing zal dus wel dateren uit de periode dat beide huizen in eigendom waren van de familie Van Goirle. De moerbalken van de derde en vierde travee behoren ook tot deze bouwfase. Op de verdieping werd tegen de zuidmuur in de eerste travee een fraaie laatgotische natuurstenen schouw aangebracht met gebeeldhouwde kopjes in de wangen. Bij de sloop van die schouw werden de vrijkomende bouwdelen gebruikt om de verjonging in de muur van het rookkanaal op te vullen. Bij de restauratie in 2001 zijn die er weer uitgenomen en voorlopig gedeponeerd in Fortuinstraat 3. Herplaatsing in een historisch passende omgeving is beoogd.
Op de balkenzoldering van de parterre is een rode beschildering aangetroffen met een decoratie van gele biezen. Die is wellicht tegelijk met de vernieuwing van de voorgevel aangebracht. De zoldering is compleet in die kleur herschilderd, maar de biezendecoratie is vooralsnog beperkt gebleven tot de ingang van het woonhuis.
Rond 1940 is de kap verwijderd en zijn de muren opgetrokken. Op de nieuwe hoger geplaatste zolderbalklaag is aan de straatzijde een kapje geplaatst. De voorgevel is toen geheel vernieuwd. Tevoren stond er een bakstenen gevel van drie traveeën met een houten winkelpui. Op de eerste verdieping waren zes-ruits empirevensters aanwezig, op de zolderverdieping vier-ruitse. Het erf is in 1972 dichtgebouwd.

Neem gerust contact met ons op voor meer informatie over de mogelijkheden van winkel restauratie.

Fortuinstraat 10, voorgevel na de restauratie